Slavin aangeboden diensten in natura betalen

Copyright © - Inter-IT B. Rijpe ervaren vrouwen           Geile vrouwen willen neuken! Menu   Home   Plaats advertentie   Inloggen: Welke slanke vrouw uit regio Ede zou discreet vreemd willen gaan Kom jij uit de regio van Ede en heb jij een slank tot normaal postuur maatje , maar extreem slank ook zeer welkom en loop jij met het idee om eens een keertje buiten de deur te snoepen, zoek dan niet verder.

Jou reden kan zijn: Thuis niet genoeg aandacht, Je ligt in scheiding, Je partner wil minder vaak als jij, Of je relatie zit in een sleur enz enz enz Ik kan jou discretie bieden en meestal wel goed bij mij thuis in Ede Opzoek naar een seksmaatje! Ik ben 26 jaar, woon in op mijzelf in een appartement in Huizen en heb net een relatie achter de rug..

Dit houdt in dat mijn seksleven niet meer is zoals het was -en dit gedeelte mis ik het meest! Ik werk full-time én daarnaast sport ik 7 dagen per week.

Testosteron is high as ever maar ik moet het telkens weer zelf doen.. Het zou toch veel makkelijker zijn als wij elkaar kunnen helpen? Met de deur in huis: Sex relatie Hoi hoi ik zoek 1 spontane nette lieve! Voor een hele mooie,lieve, Stiekem en anoniem sexdate Hallo dames, ik ben een een leuke nette jongeman uit Breda..

Ik ben opzoek naar een leuke dame voor leuk en mogelijk spannend contact.. Ik kan soms ontvangen of bij jou komen en stiekem in de auto of ergens buiten vind ik ook erg geil en spannend.

Gelieve via mail of whatsapp contact hebben voor een sexdate.. Man bied slavin aan Slavin 43 zoekt een meester. Ze is nu een half jaar in opleiding en moet de wereld verkennen. Is voornamelijk lust en pijn,ze kan veel hebben.

Ze is 43 kilo en lief koppie. Enorme borsten en kont. Kom maar met voorstellen voor haar. Ze is snel en veel beschikbaar. Kom met leuke en goed onderbouwde voorstellen. Alle prijzen staan bij advertentie. Met prive nummers,ik neem niet op. Ik nooit onleesbaar SMS,of mail,want serieuze mannen altijd bellen Ik doe geen SM,geen trio ,geen car sex,geen buiten sex,en als je bent niet Welke vrouw wil verwent worden door mij?

Hoe anders was dat in de 18e eeuw. Was er in de 17e eeuw nog een duidelijke relatie tussen winst en dividend, in de 18e was deze meer en meer verdwenen.

Zelfs in het begin van de Vierde Engelse Oorlog , toen de kas al leeg was, ging men door met dividend uit te keren, vermoedelijk om de schijn van kredietwaardigheid op te houden. Het beleid van het stabiel houden van de uitkeringen heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de financiële ondergang van het bedrijf. Om dit te kunnen blijven doen moest men zich steeds dieper in de schuld steken, in de vorm van obligaties en kortlopende leningen.

Men kan zich afvragen waarom het beleid in de 17e eeuw wezenlijk verschilde van dat in de 18e eeuw. Er is wel beweerd dat de toename van de oligarchische verhoudingen in bestuurlijke kring hierbij een rol heeft gespeeld. In de 17e eeuw kwamen de bewindhebbers van de VOC voornamelijk voort uit de koopliedenstand.

Zij waren terzake kundig en voerden een dividendbeleid dat overeenkwam met het bedrijfsresultaat. In de 18e eeuw kwamen de bewindhebbers voornamelijk uit de regentenstand. Dat waren eigenlijk meer renteniers dan kooplieden. Zij waren vooral geïnteresseerd in het behalen van een zo hoog mogelijk rendement op hun investeringen en minder in het lange termijn perspectief van het bedrijf.

In hetzelfde tijdsbestek zouden schepen met Het aantal mensen aan boord van de schepen was op de uitreis gemiddeld en op de thuisreis Het verschil tussen deze aantallen wordt primair verklaard door het feit dat een groot deel van de compagniesdienaren tijdens hun diensttijd op zee of in de Oost was overleden.

Een ander deel van de dienaren gaf er, in plaats van te repatriëren, de voorkeur aan zich permanent overzee te vestigen. De opvarenden vormden een gemêleerd gezelschap, afkomstig onder meer uit de Republiek zelf, Duitsland, Scandinavië en andere landen rond de Oostzee. Verder waren er ambachtslieden en passagiers aan boord. Voor de zeelieden begon het werk zodra het schip het ruime sop koos.

Hoewel de soldaten en ambachtslieden geworven waren voor werkzaamheden in Azië, assisteerden zij tijdens de reis de zeelieden bij het wachtlopen en het doen van reparaties. Voor de lagere rangen waren de leefomstandigheden bijzonder zwaar. Terwijl officieren en passagiers de beschikking hadden over aparte hutten, moest de bemanning plaats zien te vinden voor de grote mast, in het ruim van het schip. In deze krappe, donkere en slecht geventileerde ruimte hingen de hangmatten van zeildoek, met daarin een matras, een hoofdkussen en een deken, dicht naast elkaar.

Frisse lucht kwam binnen door de geschutspoorten en luiken, maar met slecht weer werden deze gesloten. Dergelijke omstandigheden waren een ideale bron voor het ontstaan van allerlei ziekten. Het voedsel aan boord was over het algemeen eentonig en arm aan vitaminen. Bederf van proviand kwam veel voor als gevolg van de slechte kwaliteit van de ingekochte waar; slechte bewaaromstandigheden in warme en vochtige ruimen deden de rest. Het drinkwater vormde zo mogelijk nog een groter probleem.

Bij vertrek werd voldoende meegenomen voor vier maanden. Door warmte en vervuiling nam ook de kwaliteit van het drinkwater snel af. De bemanning was ingedeeld in vaste eetgroepen, bakken genaamd, van zes tot zeven man. De leden van zo'n groep aten gedurende de gehele reis gezamenlijk uit de bak die zij kregen voorgeschoteld. Aan boord werd driemaal daags gegeten. Het ontbijt vond plaats na het ochtendgebed, omstreeks acht uur, en bestond uit gort, vermengd met pruimen of rozijnen, vaak aangelengd met water, bier of wijn.

Het middagmaal, rond twaalf uur, bestond uit gekookte erwten of bonen met saus van boter of vet. Vier dagen per week werd dit aangevuld met stokvis, twee dagen met spek en één dag met gepekeld rundvlees. Als avondmaal werden de restanten van de middagmaaltijd genuttigd, aangevuld met brood en bier.

Vers vlees stond af en toe op het menu door de slacht van enige meegenomen kippen en varkens. Ook werd onderweg wel verse vis gevangen. Naast de dagelijkse werkzaamheden was er tijdens de overtocht veel tijd voor vertier. Zo werden er bij gunstig weer wel toneelstukken opgevoerd, waarbij muziek gemaakt werd, gezongen en gedanst.

Tevens werden er gezelschapsspelen gedaan, zoals schaken en dammen. Kaarten en dobbelen waren nadrukkelijk verboden en werden bestraft met een geldboete.

Deze sanctie was vastgelegd in de artikelbrief, die tijdens de reis elke vier tot zes weken werd voorgelezen. In verband met brandgevaar was het roken aan boord ook aan strikte regels gebonden. Bij kleine vergrijpen, waarop een geldboete of lichte lijfstraf stond, zoals vloeken, het wegwerpen van proviand en het slecht onderhouden van wapens, sprak de scheepsraad vonnis.

Deze bestond uit de schipper en de andere hoge compagniesdienaren aan boord. Bij zware delicten sprak de 'brede raad' recht. In de brede raad hadden de scheepsoverheden van de hele vloot zitting. Zware vergrijpen werden vaak bestraft met forse lijfstraffen, zoals doorhaling van de hand door een mes, van de ra lopen, kielhalen, geselen en brandmerken.

Het van de ra lopen en het kielhalen bestond uit het de gestrafte in geboeide toestand meerdere malen van behoorlijke hoogte in het water te laten vallen dan wel onder het schip door te halen. Op aanzetten tot muiterij, doodslag en sodomie, dat wil zeggen het verrichten van homosexuele handelingen, stond de doodstraf. Gedurende de gehele periode van de VOC heersten aan boord ziektes als malaria, beriberi, verkoudheid, longontsteking en scheurbuik. Over de oorsprong van de meeste van deze ziektes was ten tijde van de VOC weinig bekend.

Scheurbuik, waarvan wel bekend was dat dit werd veroorzaakt door een gebrek aan verse groenten en fruit, kwam van deze ziektes het vaakst voor. Verlamming van ledematen en ontsteking van tandvlees waren de bekendste symptomen.

Beriberi, veroorzaakt door een eentonig rijstdieet, en malaria, overgedragen door de malariamug, kwamen voornamelijk voor op de terugreis naar de Republiek.

Verkoudheid en longontsteking waren een gevolg van de extreme klimaatsveranderingen, in Europa koude en regen en in de tropen hete dagen, afgewisseld met koude nachten. De bemanning had meestal niet de beschikking over de juiste kleding om zich tegen de koude te wapenen. Veel minder frequent, maar daarom niet minder ernstig was de tyfus die kon heersen aan boord van de schepen. Hiervan was nog niet bekend dat die gemakkelijk werd verspreid via uitwerpselen en luizen van mensen. Elke dag dienden de schepen ontdaan te worden van vuil en een aantal keer in de week moest de bagage boven gebracht worden, zodat men kon schrobben.

Bij goed weer werden de luiken en geschutspoorten geopend om het ruim te luchten. Om verkoudheid als gevolg van koud en nat weer te voorkomen werd er enkele malen per week wijn en brandewijn verstrekt, gewoonlijk 's ochtends op de nuchtere maag. Tevens kregen de opvarenden dagelijks een lepel limoensap voor het ontbijt. Wanneer er ondanks deze preventieve maatregelen toch ziekte uitbrak, moesten de zieken geïsoleerd worden en een aparte plaats krijgen.

Door de beperkte ruimte aan boord kwam hier in de praktijk echter weinig van terecht. Voor het bestrijden van ziekten en het behandelen van gewonden na een ongeluk waren er 'chirurgijns' op het schip, die hooguit wat primitieve medische hulp konden bieden. Wanneer opvarenden uiteindelijk toch bezweken, werden zij na een korte ceremonie en gebed overboord gezet.

Het lichaam, gewikkeld in een hangmat of zeildoek, werd verzwaard met kogels of zand en vervolgens vanaf een plank de oceaan in geschoven. Hoger geplaatsten werden in een kist overboord gezet waarbij, in de buurt van Europese kusten, nog wat geld werd ingesloten in de hoop dat het aangespoelde lijk alsnog begraven zou worden.

Het spreekt vanzelf dat om een onderneming als de VOC succesvol te maken het noodzakelijk was de reizen naar en van de Oost zo snel en veilig mogelijk te volbrengen. Van belang was dan dat de zeeweg naar de diverse bestemmingen in Azië zo goed mogelijk in kaart werd gebracht en dat men de kennis en middelen had om de positie op zee zo nauwkeurig mogelijk te bepalen.

Eind 16e en begin 17e eeuw kwam het er feitelijk op neer dat Nederlanders het op zee over het algemeen moesten doen met de ervaring van degenen die een dergelijk reis reeds hadden ondernomen en hiervan mondeling of schriftelijk verslag hadden gedaan. Op deze manier kwamen de zogenaamde leeskaarten tot stand.

De leeskaarten werden per gebied weer samengebracht in een soort van verzamelwerk, dat allerlei gegevens bevatte over bijvoorbeeld stromingen, getijden, dieptes, herkenningspunten, zandbanken en windrichtingen. Leeskaarten belichaamden als het ware een verbale neerslag van ervaringen van anderen.

Een tweede hulpmiddel was de zogenaamde paskaart, feitelijk een visuele versie van de leeskaart. De paskaart was voorzien van windrozen en kompaslijnen, waardoor men tot op zekere hoogte zijn koers kon bepalen. Eind 16e eeuw werden lees- en paskaarten bijeengebracht in zogenaamde zeemansgidsen. Het werk van Waghenaer was van ongekend hoog niveau.

Nieuw was dat op zijn kaarten kustprofielen en kustverloop gecombineerd getekend waren. Bovendien waren opvallende herkenningspunten, zoals bouwwerken, ingetekend. Op het einde van de 17e eeuw kwamen de vele verbeteringen op het gebied van zeemansgidsen samen in de vanaf in diverse, zich steeds uitbreidende edities van de Nieuwe Groote Lichtende Zee-fackel. Dit imposante werk werd gedrukt door Johannes van Keulen.

Het werd zelfs vertaald in het Spaans en Italiaans. Voor de kartografie met betrekking tot de Oost was de predikant en geograaf Petrus Plancius de pionier. Eind 16e eeuw stimuleerde hij de oprichting van voorcompagnieën door de eerste reizen naar Azië wetenschappelijk voor te bereiden. Hij tekende en publiceerde kaarten, onderwees de eerste schippers en stuurlieden en stelde instructies voor de reizen op.

De verdiensten van Plancius voor de kartografie zijn derhalve onmiskenbaar. Veel illustere namen zouden hem nog volgen, bijvoorbeeld telgen uit de families Blaeu en de reeds genoemde Van Keulen. Amsterdam was de plaats waar de meeste kaarten en atlassen werden gedrukt en het wekt dan ook geen verwondering dat de Kamer Amsterdam binnen de VOC een prominente rol op het gebied van de kartografie zou spelen.

Om zo actueel en accuraat mogelijk op het gebied van de scheepvaart te blijven waren kooplieden, schippers en stuurlieden sinds formeel verplicht de overheden van de VOC, zowel in de Republiek als overzee, alle schriftelijke bescheiden van een reis te overhandigen.

Aan de hand van nieuw verworven informatie konden de kaarten van de Compagnie dan verbeterd en uitgebreid worden. Vanaf werd de in de Republiek binnengekomen informatie in Amsterdam systematisch verwerkt door een speciaal gecontracteerde kaartenmaker.

In datzelfde jaar verwierf de VOC een monopolie van de Staten Generaal op de publicatie van kaartmateriaal betreffende de Oost. Dit was de beste waarborg om de kartografische kennis van de Compagnie geheim te houden.

Het was niet de bedoeling dat de concurrenten er hun voordeel mee konden doen. Erg effectief was dit monopolie overigens niet; vanaf omstreeks vond de meer algemene kartografische kennis van de VOC toch zijn weg naar het grote publiek, bijvoorbeeld via de gedrukte wereldatlas van Blaeu. In Batavia voorzagen vanaf kaartenmakers VOC-schepen die actief waren in de intra-Aziatische vaart van het noodzakelijke materiaal.

Ook in andere gewesten waren kaartenmakers aan het werk. Omstreeks had de VOC in Batavia het kartografisch bedrijf ondergebracht in een zogenaamde kaartenmakerswinkel, die onder leiding stond van een baas-kaartenmaker. Behalve zeekaarten vervaardigden de kaartenmakers ook afbeeldingen van gewesten, steden en forten en deden zij kadastrale opnemingen.

Gaandeweg de 17e eeuw werden de scheepsoverheden van de VOC voor iedere reis voorzien van tientallen perkamenten kaarten. Hoewel zij verplicht waren deze na de reis weer in te leveren gingen er toch veel kaarten verloren, onder meer doordat zij verdonkeremaand werden en op de zwarte markt te koop aangeboden. Het steeds opnieuw met de hand laten kopiëren van kaarten kostte de VOC veel geld. Het duurde echter lang voordat er gedrukte kaarten voor de reis tussen de Republiek en Azië ter beschikking kwamen.

Leverancier was de firma Van Keulen. Tot aan de opheffing van de VOC, in , is het niet meer tot een herziene editie van dat deel 6 gekomen. Dit was symptomatisch voor de stand van zaken van de kartografie in de Republiek. Was deze in de 17e eeuw nog toonaangevend geweest in de wereld, in de loop van de 18e eeuw begon zij achter te lopen bij die van het buitenland.

Voor een zo exact mogelijke positiebepaling op zee was het noodzakelijk dat men aan boord van schepen breedte- en lengtebepalingen kon doen. De methode van de astronomische breedtebepaling was reeds in de 15e eeuw in Portugal uitgevonden. De schippers en stuurlieden van de VOC waren deze kunst ook machtig. Het zogenaamde schieten van de zon of de poolster gebeurde met behulp van een quadrant, graadboog of zeeastrolabium.

Op deze hoekmeetinstrumenten viel dan precies af te lezen op hoeveel graden noorder- of zuiderbreedte men zich bevond. Het bepalen van het aantal graden ooster- dan wel westerlengte was een groter probleem, omdat de technische hulpmiddelen daartoe lange tijd ontbraken. De lengte kon in principe worden afgeleid van de berekening van de maansafstand, dat wil zeggen de afstand tussen de maan enerzijds en de zon of een andere heldere ster anderzijds.

Ook hier was de oplossing dus astronomisch van aard. De maansafstand kon echter pas exact worden afgelezen toen men over een sextant beschikte. De sextant was een Engelse vinding van het midden van de 18e eeuw; op de schepen van de VOC werd deze pas omstreeks gemeengoed. Om als stuurman bij de VOC te worden aangesteld diende men aan zekere kwalificaties te voldoen.

Op dit punt bestond er lange tijd geen eenduidig beleid. Zo had de Kamer Amsterdam al in een examinator voor stuurlieden in dienst. De andere kamers volgden dit voorbeeld echter veel later; de Kamer Rotterdam pas in In de loop der tijd werden de eisen voor het examen van stuurman wel steeds verder aangescherpt. In werd tenslotte ook een examen ingesteld voor de hoogste rang onder het zeevarend personeel, namelijk die van schipper. Om voor een examen bij de VOC te slagen moest men behalve over praktijkervaring in de zeevaart ook beschikken over voldoende kennis van de navigatieleer.

De VOC stelde haar scheepsofficieren bij de uitreis altijd kaarten en instrumenten voor de navigatie ter beschikking, die bij thuiskomst weer moesten worden ingeleverd. Ook werden er in de loop der tijd steeds meer regels gesteld voor het bijhouden van scheepsjournalen. Zo kon worden gecontroleerd of de schippers en stuurlieden zich conform de regels van hun taak gekweten hadden.

Voor verwijten dat VOC-personeel met betrekking tot navigatiekennis achterliep bij het buitenland en nieuwe ontwikkelingen op dit gebied te langzaam overnam zijn weinig bewijzen te vinden. Feit blijft dat de meeste schepen van de VOC hun bestemmingen bereikten en dat het percentage scheepsrampen relatief laag was. Jan Pieterszoon Coen werd geboren in Hoorn op 8 januari Van tot was hij in de leer bij Joost de Visscher, een koopman in Rome. In vertrok hij voor het eerst naar Indië als onderkoopman van een schip.

Hij maakte daar snel carrière en bereikte al in de positie van boekhouder-generaal. Tezelfdertijd werd Coen benoemd tot directeur van Bantam en Jakatra, het latere Batavia. Bantam was de centrale handelsplaats op Java en het directeurschap van dat kantoor was daarom belangrijk in de organisatie van de VOC.

Tussen Bantam en de VOC waren de relaties echter gespannen, omdat het hof niet gaarne zag dat de Compagnie te dominant werd in de regio. In werd Coen directeur-generaal, de hoogste functie na de gouverneur-generaal.

In , reeds voordat Coen gouverneur-generaal werd, had hij plannen op papier gezet ten aanzien van het te voeren beleid. Ten eerste wilde hij dat er krachtig opgetreden zou worden tegen Europese concurrenten en inheemse vorsten. Coen ergerde zich met name aan de Engelsen, die de Nederlanders overal waar zij zich vestigden op de voet volgden en zo op een goedkope manier profiteerden van de Nederlandse inspanningen.

Terwijl zijn voorganger als gouverneur-generaal, Laurens Reaal, terughoudend was bij de realisering van het door de Heren XVII gewenste monopolie in de specerijenhandel, wilde Coen hier juist haast mee maken. In tegenstelling tot Reaal hield Coen weinig rekening met de belangen van de inheemse bevolking; hij was bereid het monopolie met geweld af te dwingen. Ten tweede wilde Coen, dat Nederlanders zich als 'vrijburger' zouden vestigen in bepaalde delen van het gebied van de Compagnie om daar een bestaan op te bouwen in de handel, nijverheid of landbouw.

In geval van nood zouden de vrijburgers tevens een bijdrage aan de defensie kunnen leveren. Ten derde wenste Coen de VOC aan de intra-Aziatische handel te laten deelnemen om met de winst daarvan de aankoop van producten voor Europa te financieren. Met name voor de overzeese handel van de Chinezen had hij grote interesse. Om al deze doelen te bereiken wilde Coen dat de Heren XVII veel meer geld en schepen zouden sturen dan tot dan toe het geval was.

Als gouverneur-generaal richtte Coen zich in eerste instantie op het realiseren van de wens een centraal hoofdkwartier te hebben. Hier zouden alle schepen van de VOC in Azië moeten samenkomen. Ook zou er de zetel zijn van de Hoge Regering, het hoogste bestuurscollege overzee.

Bantam was, gezien de houding van het hof, daarvoor niet geschikt. Coen liet daarom steeds meer goederen van de Compagnie overbrengen naar de pakhuizen in Jakatra, waar de VOC sinds een vestiging had. In kregen de Engelsen er ook een handelspost, recht tegenover de Nederlandse vestiging.

Coen liet de Nederlandse post daarop, zonder toestemming van de vorst, ombouwen tot fort. Op het bericht dat de Engelsen een Nederlands schip hadden genomen liet hij de Engelse post zelfs platbranden. In de daarop volgende oorlog kon het kleine Nederlandse garnizoen zich, tegen de verwachting in, handhaven door onenigheid onder de tegenpartij van Jakatranen, Engelsen en Bantammers.

Nadat Coen hulp had gehaald, werd op 30 mei de stad Jakatra afgebrand en de bevolking verdreven. Op de puinhopen werd de hoofdstad van het VOC-imperium gesticht: Het tweede punt op Coen's agenda als gouverneur-generaal was het realiseren van het monopolie in de handel in nootmuskaat en foelie.

Die specerijen werden uitsluitend op de Banda eilanden geproduceerd. Al in een zeer vroeg stadium had de VOC geprobeerd om verdragen met de bevolking te sluiten tot exclusieve leverantie.

De Bandanezen werkten echter niet mee. De Nederlanders hadden daarop enige van de Banda eilanden veroverd, maar het grootste eiland, Lontor, hield voet bij stuk. Coen koos voor een harde aanpak en verscheen in met een grote expeditiemacht voor Lontor. Het eiland werd stormenderhand genomen, waarbij veel Bandanezen werden gedood.

Duizenden anderen kwamen van de honger om, sloegen op de vlucht of gaven zich over aan de VOC. De gevangenen werden later naar Batavia gedeporteerd. Vierenveertig gevangen Bandanese hoofden werden op een onduidelijke aanklacht van bij een complot betrokken te zijn alsnog terechtgesteld. De specerij-aanplant op de ontvolkte eilanden werd in de jaren daarna in 'perken' verdeeld.

Deze werden uitgegeven aan 'perkeniers', een soort van vrijburgers. Coen richtte zich ook op China. Door Portugees Macao en Spaans Manilla aan te vallen hoopte hij te bereiken dat jonken uit China de steven naar Batavia zouden wenden. Na enige vergeefse blokkades van Manilla, zond Coen in een sterke vloot naar China met de opdracht om Macao te nemen alsmede een fort te bouwen op de voor het vasteland gelegen Pescadores dan wel op het grotere eiland Taiwan.

De bedoeling van dat fort was de Chinese jonkenhandel te controleren en die zo naar Batavia te leiden. De aanval op Macao werd een fiasco; het fort op de Pescadores kwam er wel.

Op de Nederlandse eisen aangaande de jonkenhandel gingen de Chinese autoriteiten uiteraard niet in. De VOC begon derhalve de jonken aan te vallen, terwijl ook nederzettingen op de kust niet werden gespaard. Daarbij werden veel gevangenen gemaakt, die voor Batavia bestemd waren. De bevelhebber van de vloot had echter al gauw door dat de Chinezen nergens toe gedwongen konden worden.

De strategie van geweld die Coen op Java en Banda had gevolgd werkte niet bij het Chinese keizerrijk. Het grootste deel van de voor Batavia bestemde gevangenen was inmiddels overleden.

In keerde Coen, op eigen verzoek, terug naar de Republiek. Hij werd daar met veel eerbewijzen ontvangen en werd bewindhebber van de VOC in de kamer Hoorn. Hij stelde ook een reglement op voor de handel van Nederlandse vrijburgers in Azië, dat grotendeels overeenkwam met zijn ideeën uit In trouwde Coen met Eva Ment. Al spoedig werd hij opnieuw benoemd tot gouverneur-generaal. In vertrok hij wederom naar Indië. Coens tweede ambtstermijn stond vooral in het teken van de twee belegeringen van Batavia, in en , door de vorst van Mataram.

Die vorst had zijn gebied in de jaren daarvoor in snel tempo uitgebreid en bij de onderwerping van Java restte hem eigenlijk alleen nog Bantam, in het westen van het eiland.

Hij eistte van de Nederlanders dat zij hem hierbij zouden helpen of in elk geval zijn troepen zouden laten passeren op weg naar Bantam. Coen weigerde, wat voor de vorst reden was om eerst Batavia aan te vallen. Beide belegeringen werden goed doorstaan, mede omdat het vijandelijke leger slecht bewapend was en veel te weinig voedsel bij zich had. Tijdens het tweede beleg overleed Coen echter plotseling, op 21 september Tijdens zijn leven was Coen bij velen niet geliefd om zijn felle kritiek op een ieder, die het niet met hem eens was.

In algemene zin hebben zij het door hem gevoerde beleid echter niet afgekeurd. Coen was streng voor zijn minderen en meedogenloos voor zijn tegenstanders.

Hoewel hij in een weinig zachtzinnige periode van de geschiedenis leefde, was het geweld dat hij bereid was te gebruiken om zijn doelstellingen te bereiken zelfs menig tijdgenoot te gortig.

Voor Coen was succes in de handel eigenlijk alleen mogelijk onder de paraplu van een politiek en militair krachtige positie. Coen heeft door de eeuwen heen bewondering geoogst als de grondlegger van het Nederlandse koloniaal imperium in de Oost. Sinds het begin van de 20e eeuw is zijn naam echter vooral synoniem met gewelddadig optreden. Onderzoek naar flora en fauna ten tijde van de Verenigde Oost-Indische Compagnie VOC De bestudering van flora en fauna kreeg in Europa in de 16e eeuw een enorme impuls als gevolg van de ontdekkingsreizen en het veranderde intellectuele klimaat in de Renaissance.

Schilders maakten schilderijen met daarop exotische planten, reizigers ontdekten nieuwe soorten planten en bomen overzee en overal in Europa schoten botanische tuinen uit de grond. In de 17e en 18e eeuw speelde de Republiek een belangrijke rol in de botanische studie. Zowel in de Republiek zelf als aan boord van schepen naar Azië deden allerlei mensen, vaak amateurs, waarnemingen en maakten daar aantekeningen van.

Bovendien had de hortus van de Leidse universiteit, in gesticht door Carolus Clusius , grote internationale faam verworven vanwege zijn grote Aziatische collectie en zijn uitgebreid netwerk aan wetenschappelijke contacten.

De eerste Nederlander die zijn observaties op het gebied van flora en fauna in Azië te boek stelde was Jan Huygen van Linschoten in zijn Itinerario In de Republiek verwerkte Clusius de informatie van Van Linschoten en die van de eerste scheepstochten naar Azië systematisch in zijn Exoticorum Libri Decem Daarna duurde het tot voordat de medicus Jacob Bontius naar Batavia reisde en daar naast zijn taken ten dienste van de VOC in de omgeving van de stad de natuur bestudeerde.

Bontius had vooral interesse voor medische zaken; zijn observaties op het terrein van flora en fauna werden postuum gepubliceerd in Na Bontius zouden nog verscheidene andere compagniesdienaren zich bij wijze van liefhebberij aan de studie van flora en fauna wijden. Meestal plubiceerden zij werk van vrij algemene aard. Van grote wetenschappelijke waarde zijn de werken van twee botanisten, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw actief waren: Van Reede en Rumphius.

Hendrik Adriaan van Reede was afkomstig van een belangrijke adellijke familie uit Utrecht. Hij doorliep allerlei rangen en in werd hij in Malabar commandeur, de hoogste functionaris in dat gewest. Daar raakte hij diep onder de indruk van de tropische flora en kreeg hij waardering voor de wetenschappelijke kennis van de Brahmanen. Toen vanuit de medicinale winkel in Batavia het verzoek kwam om onderzoek te doen ten behoeve van de verbetering van de medicamenten-voorziening, was dit voor Van Reede aanleiding om zich zelf aan de studie van de flora van Malabar te zetten.

Een grote impuls voor zijn onderzoek vormde verder het bezoek van de Italiaanse arts, missionaris en botanist Mattheus van St. Die had op zijn reizen door het Midden Oosten, Perzië en India veel beschrijvingen en tekeningen gemaakt van geneeskrachtige planten.

In trad Van Reede af als commandeur van Malabar en na een kort verblijf in Batavia vertrok hij naar de Republiek, waar hij uit dienst van de Compagnie trad. In trad hij echter opnieuw in dienst als commissaris-generaal van de Westerkwartieren de gewesten in India, het Midden Oosten en Kaap de Goede Hoop met als taak om er de corruptie te bestrijden.

In de gewesten die hij toen aandeed zorgde hij dat de botanische studie er weer opbloeide. In overleed hij op de reis van Malabar naar Surat. In laatstgenoemde plaats is hij begraven. Het resultaat van Van Reede's studie is de Hortus Malabaricus , die in twaalf delen te Amsterdam werd gepubliceerd in de jaren tot Het is het eerste boek dat een compleet overzicht biedt van de flora in een bepaald deel van Azië.

Het bevat gedetailleerde beschrijvingen en schitterende gravures van planten. Hoewel de studie aanvankelijk bedoeld was om de Compagnie kennis te verschaffen over het geneeskrachtig gebruik van planten en bomen is de Hortus Malabaricus een algemeen botanisch overzichtswerk geworden. Ook voedingsgewassen, sierplanten, vrucht- en houtbomen en zelfs wilde planten komen er in voor.

Naast een beschrijving van de plant worden de namen in de lokale taal, de geografische verspreiding en het gebruik ervan gegeven. De waardering voor de Hortus Malabaricus in wetenschappelijke kring blijkt uit het feit dat veel botanisten na Van Reede zijn werk hebben gebruikt bij hun eigen onderzoek.

De bekendste daarvan was Carolus Linnaeus , de eerste die een systematische ordening van het plantenrijk bewerkstelligde. Georg Everhard Rumphius werd geboren in Duitsland.

Hij was avontuurlijk ingesteld en besloot op reis te gaan.

..

Sex filim gratis sensuele massage almere



Copyright © - Inter-IT B. Rijpe ervaren vrouwen           Geile vrouwen willen neuken! Menu   Home   Plaats advertentie   Inloggen: Welke slanke vrouw uit regio Ede zou discreet vreemd willen gaan Kom jij uit de regio van Ede en heb jij een slank tot normaal postuur maatje , maar extreem slank ook zeer welkom en loop jij met het idee om eens een keertje buiten de deur te snoepen, zoek dan niet verder. Jou reden kan zijn: Thuis niet genoeg aandacht, Je ligt in scheiding, Je partner wil minder vaak als jij, Of je relatie zit in een sleur enz enz enz Ik kan jou discretie bieden en meestal wel goed bij mij thuis in Ede Opzoek naar een seksmaatje!

Ik ben 26 jaar, woon in op mijzelf in een appartement in Huizen en heb net een relatie achter de rug.. Dit houdt in dat mijn seksleven niet meer is zoals het was -en dit gedeelte mis ik het meest! Ik werk full-time én daarnaast sport ik 7 dagen per week. Testosteron is high as ever maar ik moet het telkens weer zelf doen..

Het zou toch veel makkelijker zijn als wij elkaar kunnen helpen? Met de deur in huis: Sex relatie Hoi hoi ik zoek 1 spontane nette lieve!

Voor een hele mooie,lieve, Stiekem en anoniem sexdate Hallo dames, ik ben een een leuke nette jongeman uit Breda.. Ik ben opzoek naar een leuke dame voor leuk en mogelijk spannend contact.. Ik kan soms ontvangen of bij jou komen en stiekem in de auto of ergens buiten vind ik ook erg geil en spannend. Gelieve via mail of whatsapp contact hebben voor een sexdate.. Man bied slavin aan Slavin 43 zoekt een meester.

Ze is nu een half jaar in opleiding en moet de wereld verkennen. Is voornamelijk lust en pijn,ze kan veel hebben. Ze is 43 kilo en lief koppie. Enorme borsten en kont. Kom maar met voorstellen voor haar. Ze is snel en veel beschikbaar. Kom met leuke en goed onderbouwde voorstellen. Alle prijzen staan bij advertentie. Met prive nummers,ik neem niet op. Ik nooit onleesbaar SMS,of mail,want serieuze mannen altijd bellen Ik doe geen SM,geen trio ,geen car sex,geen buiten sex,en als je bent niet Welke vrouw wil verwent worden door mij?

Hoe anders was dat in de 18e eeuw. Was er in de 17e eeuw nog een duidelijke relatie tussen winst en dividend, in de 18e was deze meer en meer verdwenen. Zelfs in het begin van de Vierde Engelse Oorlog , toen de kas al leeg was, ging men door met dividend uit te keren, vermoedelijk om de schijn van kredietwaardigheid op te houden.

Het beleid van het stabiel houden van de uitkeringen heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de financiële ondergang van het bedrijf. Om dit te kunnen blijven doen moest men zich steeds dieper in de schuld steken, in de vorm van obligaties en kortlopende leningen.

Men kan zich afvragen waarom het beleid in de 17e eeuw wezenlijk verschilde van dat in de 18e eeuw. Er is wel beweerd dat de toename van de oligarchische verhoudingen in bestuurlijke kring hierbij een rol heeft gespeeld.

In de 17e eeuw kwamen de bewindhebbers van de VOC voornamelijk voort uit de koopliedenstand. Zij waren terzake kundig en voerden een dividendbeleid dat overeenkwam met het bedrijfsresultaat. In de 18e eeuw kwamen de bewindhebbers voornamelijk uit de regentenstand. Dat waren eigenlijk meer renteniers dan kooplieden. Zij waren vooral geïnteresseerd in het behalen van een zo hoog mogelijk rendement op hun investeringen en minder in het lange termijn perspectief van het bedrijf. In hetzelfde tijdsbestek zouden schepen met Het aantal mensen aan boord van de schepen was op de uitreis gemiddeld en op de thuisreis Het verschil tussen deze aantallen wordt primair verklaard door het feit dat een groot deel van de compagniesdienaren tijdens hun diensttijd op zee of in de Oost was overleden.

Een ander deel van de dienaren gaf er, in plaats van te repatriëren, de voorkeur aan zich permanent overzee te vestigen. De opvarenden vormden een gemêleerd gezelschap, afkomstig onder meer uit de Republiek zelf, Duitsland, Scandinavië en andere landen rond de Oostzee. Verder waren er ambachtslieden en passagiers aan boord. Voor de zeelieden begon het werk zodra het schip het ruime sop koos. Hoewel de soldaten en ambachtslieden geworven waren voor werkzaamheden in Azië, assisteerden zij tijdens de reis de zeelieden bij het wachtlopen en het doen van reparaties.

Voor de lagere rangen waren de leefomstandigheden bijzonder zwaar. Terwijl officieren en passagiers de beschikking hadden over aparte hutten, moest de bemanning plaats zien te vinden voor de grote mast, in het ruim van het schip. In deze krappe, donkere en slecht geventileerde ruimte hingen de hangmatten van zeildoek, met daarin een matras, een hoofdkussen en een deken, dicht naast elkaar.

Frisse lucht kwam binnen door de geschutspoorten en luiken, maar met slecht weer werden deze gesloten. Dergelijke omstandigheden waren een ideale bron voor het ontstaan van allerlei ziekten.

Het voedsel aan boord was over het algemeen eentonig en arm aan vitaminen. Bederf van proviand kwam veel voor als gevolg van de slechte kwaliteit van de ingekochte waar; slechte bewaaromstandigheden in warme en vochtige ruimen deden de rest. Het drinkwater vormde zo mogelijk nog een groter probleem. Bij vertrek werd voldoende meegenomen voor vier maanden.

Door warmte en vervuiling nam ook de kwaliteit van het drinkwater snel af. De bemanning was ingedeeld in vaste eetgroepen, bakken genaamd, van zes tot zeven man. De leden van zo'n groep aten gedurende de gehele reis gezamenlijk uit de bak die zij kregen voorgeschoteld. Aan boord werd driemaal daags gegeten. Het ontbijt vond plaats na het ochtendgebed, omstreeks acht uur, en bestond uit gort, vermengd met pruimen of rozijnen, vaak aangelengd met water, bier of wijn.

Het middagmaal, rond twaalf uur, bestond uit gekookte erwten of bonen met saus van boter of vet. Vier dagen per week werd dit aangevuld met stokvis, twee dagen met spek en één dag met gepekeld rundvlees. Als avondmaal werden de restanten van de middagmaaltijd genuttigd, aangevuld met brood en bier. Vers vlees stond af en toe op het menu door de slacht van enige meegenomen kippen en varkens. Ook werd onderweg wel verse vis gevangen. Naast de dagelijkse werkzaamheden was er tijdens de overtocht veel tijd voor vertier.

Zo werden er bij gunstig weer wel toneelstukken opgevoerd, waarbij muziek gemaakt werd, gezongen en gedanst. Tevens werden er gezelschapsspelen gedaan, zoals schaken en dammen. Kaarten en dobbelen waren nadrukkelijk verboden en werden bestraft met een geldboete. Deze sanctie was vastgelegd in de artikelbrief, die tijdens de reis elke vier tot zes weken werd voorgelezen.

In verband met brandgevaar was het roken aan boord ook aan strikte regels gebonden. Bij kleine vergrijpen, waarop een geldboete of lichte lijfstraf stond, zoals vloeken, het wegwerpen van proviand en het slecht onderhouden van wapens, sprak de scheepsraad vonnis. Deze bestond uit de schipper en de andere hoge compagniesdienaren aan boord.

Bij zware delicten sprak de 'brede raad' recht. In de brede raad hadden de scheepsoverheden van de hele vloot zitting. Zware vergrijpen werden vaak bestraft met forse lijfstraffen, zoals doorhaling van de hand door een mes, van de ra lopen, kielhalen, geselen en brandmerken.

Het van de ra lopen en het kielhalen bestond uit het de gestrafte in geboeide toestand meerdere malen van behoorlijke hoogte in het water te laten vallen dan wel onder het schip door te halen.

Op aanzetten tot muiterij, doodslag en sodomie, dat wil zeggen het verrichten van homosexuele handelingen, stond de doodstraf. Gedurende de gehele periode van de VOC heersten aan boord ziektes als malaria, beriberi, verkoudheid, longontsteking en scheurbuik. Over de oorsprong van de meeste van deze ziektes was ten tijde van de VOC weinig bekend.

Scheurbuik, waarvan wel bekend was dat dit werd veroorzaakt door een gebrek aan verse groenten en fruit, kwam van deze ziektes het vaakst voor. Verlamming van ledematen en ontsteking van tandvlees waren de bekendste symptomen. Beriberi, veroorzaakt door een eentonig rijstdieet, en malaria, overgedragen door de malariamug, kwamen voornamelijk voor op de terugreis naar de Republiek. Verkoudheid en longontsteking waren een gevolg van de extreme klimaatsveranderingen, in Europa koude en regen en in de tropen hete dagen, afgewisseld met koude nachten.

De bemanning had meestal niet de beschikking over de juiste kleding om zich tegen de koude te wapenen. Veel minder frequent, maar daarom niet minder ernstig was de tyfus die kon heersen aan boord van de schepen. Hiervan was nog niet bekend dat die gemakkelijk werd verspreid via uitwerpselen en luizen van mensen.

Elke dag dienden de schepen ontdaan te worden van vuil en een aantal keer in de week moest de bagage boven gebracht worden, zodat men kon schrobben. Bij goed weer werden de luiken en geschutspoorten geopend om het ruim te luchten. Om verkoudheid als gevolg van koud en nat weer te voorkomen werd er enkele malen per week wijn en brandewijn verstrekt, gewoonlijk 's ochtends op de nuchtere maag.

Tevens kregen de opvarenden dagelijks een lepel limoensap voor het ontbijt. Wanneer er ondanks deze preventieve maatregelen toch ziekte uitbrak, moesten de zieken geïsoleerd worden en een aparte plaats krijgen.

Door de beperkte ruimte aan boord kwam hier in de praktijk echter weinig van terecht. Voor het bestrijden van ziekten en het behandelen van gewonden na een ongeluk waren er 'chirurgijns' op het schip, die hooguit wat primitieve medische hulp konden bieden. Wanneer opvarenden uiteindelijk toch bezweken, werden zij na een korte ceremonie en gebed overboord gezet. Het lichaam, gewikkeld in een hangmat of zeildoek, werd verzwaard met kogels of zand en vervolgens vanaf een plank de oceaan in geschoven.

Hoger geplaatsten werden in een kist overboord gezet waarbij, in de buurt van Europese kusten, nog wat geld werd ingesloten in de hoop dat het aangespoelde lijk alsnog begraven zou worden.

Het spreekt vanzelf dat om een onderneming als de VOC succesvol te maken het noodzakelijk was de reizen naar en van de Oost zo snel en veilig mogelijk te volbrengen. Van belang was dan dat de zeeweg naar de diverse bestemmingen in Azië zo goed mogelijk in kaart werd gebracht en dat men de kennis en middelen had om de positie op zee zo nauwkeurig mogelijk te bepalen.

Eind 16e en begin 17e eeuw kwam het er feitelijk op neer dat Nederlanders het op zee over het algemeen moesten doen met de ervaring van degenen die een dergelijk reis reeds hadden ondernomen en hiervan mondeling of schriftelijk verslag hadden gedaan.

Op deze manier kwamen de zogenaamde leeskaarten tot stand. De leeskaarten werden per gebied weer samengebracht in een soort van verzamelwerk, dat allerlei gegevens bevatte over bijvoorbeeld stromingen, getijden, dieptes, herkenningspunten, zandbanken en windrichtingen. Leeskaarten belichaamden als het ware een verbale neerslag van ervaringen van anderen.

Een tweede hulpmiddel was de zogenaamde paskaart, feitelijk een visuele versie van de leeskaart. De paskaart was voorzien van windrozen en kompaslijnen, waardoor men tot op zekere hoogte zijn koers kon bepalen. Eind 16e eeuw werden lees- en paskaarten bijeengebracht in zogenaamde zeemansgidsen. Het werk van Waghenaer was van ongekend hoog niveau. Nieuw was dat op zijn kaarten kustprofielen en kustverloop gecombineerd getekend waren.

Bovendien waren opvallende herkenningspunten, zoals bouwwerken, ingetekend. Op het einde van de 17e eeuw kwamen de vele verbeteringen op het gebied van zeemansgidsen samen in de vanaf in diverse, zich steeds uitbreidende edities van de Nieuwe Groote Lichtende Zee-fackel. Dit imposante werk werd gedrukt door Johannes van Keulen.

Het werd zelfs vertaald in het Spaans en Italiaans. Voor de kartografie met betrekking tot de Oost was de predikant en geograaf Petrus Plancius de pionier. Eind 16e eeuw stimuleerde hij de oprichting van voorcompagnieën door de eerste reizen naar Azië wetenschappelijk voor te bereiden.

Hij tekende en publiceerde kaarten, onderwees de eerste schippers en stuurlieden en stelde instructies voor de reizen op. De verdiensten van Plancius voor de kartografie zijn derhalve onmiskenbaar. Veel illustere namen zouden hem nog volgen, bijvoorbeeld telgen uit de families Blaeu en de reeds genoemde Van Keulen.

Amsterdam was de plaats waar de meeste kaarten en atlassen werden gedrukt en het wekt dan ook geen verwondering dat de Kamer Amsterdam binnen de VOC een prominente rol op het gebied van de kartografie zou spelen.

Om zo actueel en accuraat mogelijk op het gebied van de scheepvaart te blijven waren kooplieden, schippers en stuurlieden sinds formeel verplicht de overheden van de VOC, zowel in de Republiek als overzee, alle schriftelijke bescheiden van een reis te overhandigen.

Aan de hand van nieuw verworven informatie konden de kaarten van de Compagnie dan verbeterd en uitgebreid worden.

Vanaf werd de in de Republiek binnengekomen informatie in Amsterdam systematisch verwerkt door een speciaal gecontracteerde kaartenmaker.

In datzelfde jaar verwierf de VOC een monopolie van de Staten Generaal op de publicatie van kaartmateriaal betreffende de Oost. Dit was de beste waarborg om de kartografische kennis van de Compagnie geheim te houden.

Het was niet de bedoeling dat de concurrenten er hun voordeel mee konden doen. Erg effectief was dit monopolie overigens niet; vanaf omstreeks vond de meer algemene kartografische kennis van de VOC toch zijn weg naar het grote publiek, bijvoorbeeld via de gedrukte wereldatlas van Blaeu.

In Batavia voorzagen vanaf kaartenmakers VOC-schepen die actief waren in de intra-Aziatische vaart van het noodzakelijke materiaal. Ook in andere gewesten waren kaartenmakers aan het werk. Omstreeks had de VOC in Batavia het kartografisch bedrijf ondergebracht in een zogenaamde kaartenmakerswinkel, die onder leiding stond van een baas-kaartenmaker.

Behalve zeekaarten vervaardigden de kaartenmakers ook afbeeldingen van gewesten, steden en forten en deden zij kadastrale opnemingen. Gaandeweg de 17e eeuw werden de scheepsoverheden van de VOC voor iedere reis voorzien van tientallen perkamenten kaarten. Hoewel zij verplicht waren deze na de reis weer in te leveren gingen er toch veel kaarten verloren, onder meer doordat zij verdonkeremaand werden en op de zwarte markt te koop aangeboden. Het steeds opnieuw met de hand laten kopiëren van kaarten kostte de VOC veel geld.

Het duurde echter lang voordat er gedrukte kaarten voor de reis tussen de Republiek en Azië ter beschikking kwamen. Leverancier was de firma Van Keulen. Tot aan de opheffing van de VOC, in , is het niet meer tot een herziene editie van dat deel 6 gekomen. Dit was symptomatisch voor de stand van zaken van de kartografie in de Republiek. Was deze in de 17e eeuw nog toonaangevend geweest in de wereld, in de loop van de 18e eeuw begon zij achter te lopen bij die van het buitenland.

Voor een zo exact mogelijke positiebepaling op zee was het noodzakelijk dat men aan boord van schepen breedte- en lengtebepalingen kon doen. De methode van de astronomische breedtebepaling was reeds in de 15e eeuw in Portugal uitgevonden. De schippers en stuurlieden van de VOC waren deze kunst ook machtig. Het zogenaamde schieten van de zon of de poolster gebeurde met behulp van een quadrant, graadboog of zeeastrolabium. Op deze hoekmeetinstrumenten viel dan precies af te lezen op hoeveel graden noorder- of zuiderbreedte men zich bevond.

Het bepalen van het aantal graden ooster- dan wel westerlengte was een groter probleem, omdat de technische hulpmiddelen daartoe lange tijd ontbraken. De lengte kon in principe worden afgeleid van de berekening van de maansafstand, dat wil zeggen de afstand tussen de maan enerzijds en de zon of een andere heldere ster anderzijds. Ook hier was de oplossing dus astronomisch van aard.

De maansafstand kon echter pas exact worden afgelezen toen men over een sextant beschikte. De sextant was een Engelse vinding van het midden van de 18e eeuw; op de schepen van de VOC werd deze pas omstreeks gemeengoed. Om als stuurman bij de VOC te worden aangesteld diende men aan zekere kwalificaties te voldoen. Op dit punt bestond er lange tijd geen eenduidig beleid.

Zo had de Kamer Amsterdam al in een examinator voor stuurlieden in dienst. De andere kamers volgden dit voorbeeld echter veel later; de Kamer Rotterdam pas in In de loop der tijd werden de eisen voor het examen van stuurman wel steeds verder aangescherpt. In werd tenslotte ook een examen ingesteld voor de hoogste rang onder het zeevarend personeel, namelijk die van schipper.

Om voor een examen bij de VOC te slagen moest men behalve over praktijkervaring in de zeevaart ook beschikken over voldoende kennis van de navigatieleer.

De VOC stelde haar scheepsofficieren bij de uitreis altijd kaarten en instrumenten voor de navigatie ter beschikking, die bij thuiskomst weer moesten worden ingeleverd. Ook werden er in de loop der tijd steeds meer regels gesteld voor het bijhouden van scheepsjournalen. Zo kon worden gecontroleerd of de schippers en stuurlieden zich conform de regels van hun taak gekweten hadden. Voor verwijten dat VOC-personeel met betrekking tot navigatiekennis achterliep bij het buitenland en nieuwe ontwikkelingen op dit gebied te langzaam overnam zijn weinig bewijzen te vinden.

Feit blijft dat de meeste schepen van de VOC hun bestemmingen bereikten en dat het percentage scheepsrampen relatief laag was. Jan Pieterszoon Coen werd geboren in Hoorn op 8 januari Van tot was hij in de leer bij Joost de Visscher, een koopman in Rome.

In vertrok hij voor het eerst naar Indië als onderkoopman van een schip. Hij maakte daar snel carrière en bereikte al in de positie van boekhouder-generaal. Tezelfdertijd werd Coen benoemd tot directeur van Bantam en Jakatra, het latere Batavia. Bantam was de centrale handelsplaats op Java en het directeurschap van dat kantoor was daarom belangrijk in de organisatie van de VOC.

Tussen Bantam en de VOC waren de relaties echter gespannen, omdat het hof niet gaarne zag dat de Compagnie te dominant werd in de regio. In werd Coen directeur-generaal, de hoogste functie na de gouverneur-generaal. In , reeds voordat Coen gouverneur-generaal werd, had hij plannen op papier gezet ten aanzien van het te voeren beleid. Ten eerste wilde hij dat er krachtig opgetreden zou worden tegen Europese concurrenten en inheemse vorsten. Coen ergerde zich met name aan de Engelsen, die de Nederlanders overal waar zij zich vestigden op de voet volgden en zo op een goedkope manier profiteerden van de Nederlandse inspanningen.

Terwijl zijn voorganger als gouverneur-generaal, Laurens Reaal, terughoudend was bij de realisering van het door de Heren XVII gewenste monopolie in de specerijenhandel, wilde Coen hier juist haast mee maken.

In tegenstelling tot Reaal hield Coen weinig rekening met de belangen van de inheemse bevolking; hij was bereid het monopolie met geweld af te dwingen.

Ten tweede wilde Coen, dat Nederlanders zich als 'vrijburger' zouden vestigen in bepaalde delen van het gebied van de Compagnie om daar een bestaan op te bouwen in de handel, nijverheid of landbouw. In geval van nood zouden de vrijburgers tevens een bijdrage aan de defensie kunnen leveren. Ten derde wenste Coen de VOC aan de intra-Aziatische handel te laten deelnemen om met de winst daarvan de aankoop van producten voor Europa te financieren.

Met name voor de overzeese handel van de Chinezen had hij grote interesse. Om al deze doelen te bereiken wilde Coen dat de Heren XVII veel meer geld en schepen zouden sturen dan tot dan toe het geval was. Als gouverneur-generaal richtte Coen zich in eerste instantie op het realiseren van de wens een centraal hoofdkwartier te hebben. Hier zouden alle schepen van de VOC in Azië moeten samenkomen.

Ook zou er de zetel zijn van de Hoge Regering, het hoogste bestuurscollege overzee. Bantam was, gezien de houding van het hof, daarvoor niet geschikt. Coen liet daarom steeds meer goederen van de Compagnie overbrengen naar de pakhuizen in Jakatra, waar de VOC sinds een vestiging had. In kregen de Engelsen er ook een handelspost, recht tegenover de Nederlandse vestiging.

Coen liet de Nederlandse post daarop, zonder toestemming van de vorst, ombouwen tot fort. Op het bericht dat de Engelsen een Nederlands schip hadden genomen liet hij de Engelse post zelfs platbranden.

In de daarop volgende oorlog kon het kleine Nederlandse garnizoen zich, tegen de verwachting in, handhaven door onenigheid onder de tegenpartij van Jakatranen, Engelsen en Bantammers. Nadat Coen hulp had gehaald, werd op 30 mei de stad Jakatra afgebrand en de bevolking verdreven. Op de puinhopen werd de hoofdstad van het VOC-imperium gesticht: Het tweede punt op Coen's agenda als gouverneur-generaal was het realiseren van het monopolie in de handel in nootmuskaat en foelie.

Die specerijen werden uitsluitend op de Banda eilanden geproduceerd. Al in een zeer vroeg stadium had de VOC geprobeerd om verdragen met de bevolking te sluiten tot exclusieve leverantie. De Bandanezen werkten echter niet mee. De Nederlanders hadden daarop enige van de Banda eilanden veroverd, maar het grootste eiland, Lontor, hield voet bij stuk. Coen koos voor een harde aanpak en verscheen in met een grote expeditiemacht voor Lontor.

Het eiland werd stormenderhand genomen, waarbij veel Bandanezen werden gedood. Duizenden anderen kwamen van de honger om, sloegen op de vlucht of gaven zich over aan de VOC. De gevangenen werden later naar Batavia gedeporteerd. Vierenveertig gevangen Bandanese hoofden werden op een onduidelijke aanklacht van bij een complot betrokken te zijn alsnog terechtgesteld. De specerij-aanplant op de ontvolkte eilanden werd in de jaren daarna in 'perken' verdeeld.

Deze werden uitgegeven aan 'perkeniers', een soort van vrijburgers. Coen richtte zich ook op China. Door Portugees Macao en Spaans Manilla aan te vallen hoopte hij te bereiken dat jonken uit China de steven naar Batavia zouden wenden. Na enige vergeefse blokkades van Manilla, zond Coen in een sterke vloot naar China met de opdracht om Macao te nemen alsmede een fort te bouwen op de voor het vasteland gelegen Pescadores dan wel op het grotere eiland Taiwan.

De bedoeling van dat fort was de Chinese jonkenhandel te controleren en die zo naar Batavia te leiden. De aanval op Macao werd een fiasco; het fort op de Pescadores kwam er wel.

Op de Nederlandse eisen aangaande de jonkenhandel gingen de Chinese autoriteiten uiteraard niet in. De VOC begon derhalve de jonken aan te vallen, terwijl ook nederzettingen op de kust niet werden gespaard. Daarbij werden veel gevangenen gemaakt, die voor Batavia bestemd waren. De bevelhebber van de vloot had echter al gauw door dat de Chinezen nergens toe gedwongen konden worden.

De strategie van geweld die Coen op Java en Banda had gevolgd werkte niet bij het Chinese keizerrijk. Het grootste deel van de voor Batavia bestemde gevangenen was inmiddels overleden. In keerde Coen, op eigen verzoek, terug naar de Republiek.

Hij werd daar met veel eerbewijzen ontvangen en werd bewindhebber van de VOC in de kamer Hoorn. Hij stelde ook een reglement op voor de handel van Nederlandse vrijburgers in Azië, dat grotendeels overeenkwam met zijn ideeën uit In trouwde Coen met Eva Ment. Al spoedig werd hij opnieuw benoemd tot gouverneur-generaal.

In vertrok hij wederom naar Indië. Coens tweede ambtstermijn stond vooral in het teken van de twee belegeringen van Batavia, in en , door de vorst van Mataram. Die vorst had zijn gebied in de jaren daarvoor in snel tempo uitgebreid en bij de onderwerping van Java restte hem eigenlijk alleen nog Bantam, in het westen van het eiland.

Hij eistte van de Nederlanders dat zij hem hierbij zouden helpen of in elk geval zijn troepen zouden laten passeren op weg naar Bantam. Coen weigerde, wat voor de vorst reden was om eerst Batavia aan te vallen. Beide belegeringen werden goed doorstaan, mede omdat het vijandelijke leger slecht bewapend was en veel te weinig voedsel bij zich had. Tijdens het tweede beleg overleed Coen echter plotseling, op 21 september Tijdens zijn leven was Coen bij velen niet geliefd om zijn felle kritiek op een ieder, die het niet met hem eens was.

In algemene zin hebben zij het door hem gevoerde beleid echter niet afgekeurd. Coen was streng voor zijn minderen en meedogenloos voor zijn tegenstanders. Hoewel hij in een weinig zachtzinnige periode van de geschiedenis leefde, was het geweld dat hij bereid was te gebruiken om zijn doelstellingen te bereiken zelfs menig tijdgenoot te gortig.

Voor Coen was succes in de handel eigenlijk alleen mogelijk onder de paraplu van een politiek en militair krachtige positie. Coen heeft door de eeuwen heen bewondering geoogst als de grondlegger van het Nederlandse koloniaal imperium in de Oost. Sinds het begin van de 20e eeuw is zijn naam echter vooral synoniem met gewelddadig optreden. Onderzoek naar flora en fauna ten tijde van de Verenigde Oost-Indische Compagnie VOC De bestudering van flora en fauna kreeg in Europa in de 16e eeuw een enorme impuls als gevolg van de ontdekkingsreizen en het veranderde intellectuele klimaat in de Renaissance.

Schilders maakten schilderijen met daarop exotische planten, reizigers ontdekten nieuwe soorten planten en bomen overzee en overal in Europa schoten botanische tuinen uit de grond. In de 17e en 18e eeuw speelde de Republiek een belangrijke rol in de botanische studie. Zowel in de Republiek zelf als aan boord van schepen naar Azië deden allerlei mensen, vaak amateurs, waarnemingen en maakten daar aantekeningen van. Bovendien had de hortus van de Leidse universiteit, in gesticht door Carolus Clusius , grote internationale faam verworven vanwege zijn grote Aziatische collectie en zijn uitgebreid netwerk aan wetenschappelijke contacten.

De eerste Nederlander die zijn observaties op het gebied van flora en fauna in Azië te boek stelde was Jan Huygen van Linschoten in zijn Itinerario In de Republiek verwerkte Clusius de informatie van Van Linschoten en die van de eerste scheepstochten naar Azië systematisch in zijn Exoticorum Libri Decem Daarna duurde het tot voordat de medicus Jacob Bontius naar Batavia reisde en daar naast zijn taken ten dienste van de VOC in de omgeving van de stad de natuur bestudeerde.

Bontius had vooral interesse voor medische zaken; zijn observaties op het terrein van flora en fauna werden postuum gepubliceerd in Na Bontius zouden nog verscheidene andere compagniesdienaren zich bij wijze van liefhebberij aan de studie van flora en fauna wijden.

Meestal plubiceerden zij werk van vrij algemene aard. Van grote wetenschappelijke waarde zijn de werken van twee botanisten, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw actief waren: Van Reede en Rumphius.

Hendrik Adriaan van Reede was afkomstig van een belangrijke adellijke familie uit Utrecht. Hij doorliep allerlei rangen en in werd hij in Malabar commandeur, de hoogste functionaris in dat gewest. Daar raakte hij diep onder de indruk van de tropische flora en kreeg hij waardering voor de wetenschappelijke kennis van de Brahmanen.

Toen vanuit de medicinale winkel in Batavia het verzoek kwam om onderzoek te doen ten behoeve van de verbetering van de medicamenten-voorziening, was dit voor Van Reede aanleiding om zich zelf aan de studie van de flora van Malabar te zetten. Een grote impuls voor zijn onderzoek vormde verder het bezoek van de Italiaanse arts, missionaris en botanist Mattheus van St.

Die had op zijn reizen door het Midden Oosten, Perzië en India veel beschrijvingen en tekeningen gemaakt van geneeskrachtige planten. In trad Van Reede af als commandeur van Malabar en na een kort verblijf in Batavia vertrok hij naar de Republiek, waar hij uit dienst van de Compagnie trad. In trad hij echter opnieuw in dienst als commissaris-generaal van de Westerkwartieren de gewesten in India, het Midden Oosten en Kaap de Goede Hoop met als taak om er de corruptie te bestrijden.

In de gewesten die hij toen aandeed zorgde hij dat de botanische studie er weer opbloeide. In overleed hij op de reis van Malabar naar Surat. In laatstgenoemde plaats is hij begraven. Het resultaat van Van Reede's studie is de Hortus Malabaricus , die in twaalf delen te Amsterdam werd gepubliceerd in de jaren tot Het is het eerste boek dat een compleet overzicht biedt van de flora in een bepaald deel van Azië.

Het bevat gedetailleerde beschrijvingen en schitterende gravures van planten. Hoewel de studie aanvankelijk bedoeld was om de Compagnie kennis te verschaffen over het geneeskrachtig gebruik van planten en bomen is de Hortus Malabaricus een algemeen botanisch overzichtswerk geworden. Ook voedingsgewassen, sierplanten, vrucht- en houtbomen en zelfs wilde planten komen er in voor. Naast een beschrijving van de plant worden de namen in de lokale taal, de geografische verspreiding en het gebruik ervan gegeven.

De waardering voor de Hortus Malabaricus in wetenschappelijke kring blijkt uit het feit dat veel botanisten na Van Reede zijn werk hebben gebruikt bij hun eigen onderzoek. De bekendste daarvan was Carolus Linnaeus , de eerste die een systematische ordening van het plantenrijk bewerkstelligde. Georg Everhard Rumphius werd geboren in Duitsland.

Hij was avontuurlijk ingesteld en besloot op reis te gaan.

..


Van telefoon witgoed fiets muebels echt voor alle hulp Gewoon echt alles voor vrouwen Ik ben Van telefoon witgoed fiets muebels echt Vind je het leuk om een stadje te bezoeken? Hand in hand door de straatjes slenteren, gezelligheid, Vind je het leuk om een stadje te bezoek De vakantie komt er weer aan en je moet rondkomen van een uitkering? Je wilt je kind eren toch gra De vakantie komt er weer aan en je moet Aaron vd dr uit Amersfoort. Wie heeft er zin in een spannende date Ik ben Claudia, een lekkere m Wie heeft er zin Wet Milf uit Eindhoven.

Hallo Ben jij op zoek naar mooie spullen, laptop, meubels, iphone of wil je gewoon eens lekker op Hallo Ben jij op zoek naar mooie spul Wat heb je nodig. En je kan het in natura betalen. Twijfel niet ik maak he Hoi leuke vrouw, Om met de deur in huis te vallen. Ik heb ooit een langere relatie gehad ruiling Hoi leuke vrouw, Om met de deur in hui Heb jij, mooie alleenstaande vrouw, altijd al professionele kwaliteit raamfolie bijvoorbeeld tege Heb jij, mooie alleenstaande vrouw, al Alleenstaande vrouw, geen kinderen huisdieren of gekkigheid is opzoek naar woonruimte in of nabij Am Alleenstaande vrouw, geen kinderen huisd Hai ik ben Danny,29 jaar en leuke nette goeduitziende man.

Altijd goedverzorgd en lief karakter. Hai ik ben Danny,29 jaar en leuke nette Is je iPhone, iPad of iPod kapot? Laat hem professioneel maken en betaal in natura. Maar zie je er altijd t Ik heb een leuke iphone 4 16 GB in goede staat geen krasjes oid. Liefst voor een leuk jong slank e Ik heb een leuke iphone 4 16 GB in goede Willen jullie nog meer klanten binnenhalen? Laat nu zien hoe sexy en geil je bent door Willen jullie nog meer klan Gouden tip gezocht, en wordt beloont met 1 of meerdere heerlijke massages.

Al tijden ben ik op zo Gouden tip gezocht, en wordt beloont met Heb je en leuke klus voor me Zoek leuke vrouw voor sex ik woon in zeewolde bel me maar ik kan ontvan Of heb jij liever dat er een groep mannen overheen gaat? Misschien een groep negers? Laat dan snel wat van je horen. Aziatisch, donker of getint is meer dan welkom. Ik ben zeer potent en dik geschapen, heb de ruimte en de mogelijkheden. Graag jou reactie met een duidelijke omschrijving van jezelf, je leeftijd, je interesses en de plaats waar jij woont.

Ik kan jou vrij ontvangen, heb een geschikte erotische ruimte, sling, bdsm attributen en de contacten; overnachten of inwoning is mogelijk i. AUB geen reacties van mannen!! Particulier 11 jaar actief op Tweedehands. Tweedehands Dé gratis verkoopsite gericht op particulieren Help Populair Nieuw. Niet van toepassing 1. Contact-informatie Particulier 11 jaar actief op Tweedehands. Negerin voor heftige sex n.

Zoek Negerin voor supersex n.




Vaderneuktdochter volslanke meesteres

  • 530
  • Gratis neuken in amsterdam gratis shemale contact
  • 354





Cardate ede klaarkomen in de kut


Aaron vd dr uit Amersfoort. Wie heeft er zin in een spannende date Ik ben Claudia, een lekkere m Wie heeft er zin Wet Milf uit Eindhoven. Hallo Ben jij op zoek naar mooie spullen, laptop, meubels, iphone of wil je gewoon eens lekker op Hallo Ben jij op zoek naar mooie spul Wat heb je nodig.

En je kan het in natura betalen. Twijfel niet ik maak he Hoi leuke vrouw, Om met de deur in huis te vallen. Ik heb ooit een langere relatie gehad ruiling Hoi leuke vrouw, Om met de deur in hui Heb jij, mooie alleenstaande vrouw, altijd al professionele kwaliteit raamfolie bijvoorbeeld tege Heb jij, mooie alleenstaande vrouw, al Alleenstaande vrouw, geen kinderen huisdieren of gekkigheid is opzoek naar woonruimte in of nabij Am Alleenstaande vrouw, geen kinderen huisd Hai ik ben Danny,29 jaar en leuke nette goeduitziende man.

Altijd goedverzorgd en lief karakter. Hai ik ben Danny,29 jaar en leuke nette Is je iPhone, iPad of iPod kapot? Laat hem professioneel maken en betaal in natura. Maar zie je er altijd t Ik heb een leuke iphone 4 16 GB in goede staat geen krasjes oid. Liefst voor een leuk jong slank e Ik heb een leuke iphone 4 16 GB in goede Willen jullie nog meer klanten binnenhalen?

Tevens kregen de opvarenden dagelijks een lepel limoensap voor het ontbijt. Wanneer er ondanks deze preventieve maatregelen toch ziekte uitbrak, moesten de zieken geïsoleerd worden en een aparte plaats krijgen. Door de beperkte ruimte aan boord kwam hier in de praktijk echter weinig van terecht. Voor het bestrijden van ziekten en het behandelen van gewonden na een ongeluk waren er 'chirurgijns' op het schip, die hooguit wat primitieve medische hulp konden bieden.

Wanneer opvarenden uiteindelijk toch bezweken, werden zij na een korte ceremonie en gebed overboord gezet. Het lichaam, gewikkeld in een hangmat of zeildoek, werd verzwaard met kogels of zand en vervolgens vanaf een plank de oceaan in geschoven. Hoger geplaatsten werden in een kist overboord gezet waarbij, in de buurt van Europese kusten, nog wat geld werd ingesloten in de hoop dat het aangespoelde lijk alsnog begraven zou worden. Het spreekt vanzelf dat om een onderneming als de VOC succesvol te maken het noodzakelijk was de reizen naar en van de Oost zo snel en veilig mogelijk te volbrengen.

Van belang was dan dat de zeeweg naar de diverse bestemmingen in Azië zo goed mogelijk in kaart werd gebracht en dat men de kennis en middelen had om de positie op zee zo nauwkeurig mogelijk te bepalen.

Eind 16e en begin 17e eeuw kwam het er feitelijk op neer dat Nederlanders het op zee over het algemeen moesten doen met de ervaring van degenen die een dergelijk reis reeds hadden ondernomen en hiervan mondeling of schriftelijk verslag hadden gedaan. Op deze manier kwamen de zogenaamde leeskaarten tot stand. De leeskaarten werden per gebied weer samengebracht in een soort van verzamelwerk, dat allerlei gegevens bevatte over bijvoorbeeld stromingen, getijden, dieptes, herkenningspunten, zandbanken en windrichtingen.

Leeskaarten belichaamden als het ware een verbale neerslag van ervaringen van anderen. Een tweede hulpmiddel was de zogenaamde paskaart, feitelijk een visuele versie van de leeskaart. De paskaart was voorzien van windrozen en kompaslijnen, waardoor men tot op zekere hoogte zijn koers kon bepalen.

Eind 16e eeuw werden lees- en paskaarten bijeengebracht in zogenaamde zeemansgidsen. Het werk van Waghenaer was van ongekend hoog niveau. Nieuw was dat op zijn kaarten kustprofielen en kustverloop gecombineerd getekend waren. Bovendien waren opvallende herkenningspunten, zoals bouwwerken, ingetekend. Op het einde van de 17e eeuw kwamen de vele verbeteringen op het gebied van zeemansgidsen samen in de vanaf in diverse, zich steeds uitbreidende edities van de Nieuwe Groote Lichtende Zee-fackel.

Dit imposante werk werd gedrukt door Johannes van Keulen. Het werd zelfs vertaald in het Spaans en Italiaans. Voor de kartografie met betrekking tot de Oost was de predikant en geograaf Petrus Plancius de pionier. Eind 16e eeuw stimuleerde hij de oprichting van voorcompagnieën door de eerste reizen naar Azië wetenschappelijk voor te bereiden. Hij tekende en publiceerde kaarten, onderwees de eerste schippers en stuurlieden en stelde instructies voor de reizen op.

De verdiensten van Plancius voor de kartografie zijn derhalve onmiskenbaar. Veel illustere namen zouden hem nog volgen, bijvoorbeeld telgen uit de families Blaeu en de reeds genoemde Van Keulen. Amsterdam was de plaats waar de meeste kaarten en atlassen werden gedrukt en het wekt dan ook geen verwondering dat de Kamer Amsterdam binnen de VOC een prominente rol op het gebied van de kartografie zou spelen.

Om zo actueel en accuraat mogelijk op het gebied van de scheepvaart te blijven waren kooplieden, schippers en stuurlieden sinds formeel verplicht de overheden van de VOC, zowel in de Republiek als overzee, alle schriftelijke bescheiden van een reis te overhandigen. Aan de hand van nieuw verworven informatie konden de kaarten van de Compagnie dan verbeterd en uitgebreid worden.

Vanaf werd de in de Republiek binnengekomen informatie in Amsterdam systematisch verwerkt door een speciaal gecontracteerde kaartenmaker. In datzelfde jaar verwierf de VOC een monopolie van de Staten Generaal op de publicatie van kaartmateriaal betreffende de Oost.

Dit was de beste waarborg om de kartografische kennis van de Compagnie geheim te houden. Het was niet de bedoeling dat de concurrenten er hun voordeel mee konden doen. Erg effectief was dit monopolie overigens niet; vanaf omstreeks vond de meer algemene kartografische kennis van de VOC toch zijn weg naar het grote publiek, bijvoorbeeld via de gedrukte wereldatlas van Blaeu.

In Batavia voorzagen vanaf kaartenmakers VOC-schepen die actief waren in de intra-Aziatische vaart van het noodzakelijke materiaal. Ook in andere gewesten waren kaartenmakers aan het werk. Omstreeks had de VOC in Batavia het kartografisch bedrijf ondergebracht in een zogenaamde kaartenmakerswinkel, die onder leiding stond van een baas-kaartenmaker. Behalve zeekaarten vervaardigden de kaartenmakers ook afbeeldingen van gewesten, steden en forten en deden zij kadastrale opnemingen.

Gaandeweg de 17e eeuw werden de scheepsoverheden van de VOC voor iedere reis voorzien van tientallen perkamenten kaarten. Hoewel zij verplicht waren deze na de reis weer in te leveren gingen er toch veel kaarten verloren, onder meer doordat zij verdonkeremaand werden en op de zwarte markt te koop aangeboden. Het steeds opnieuw met de hand laten kopiëren van kaarten kostte de VOC veel geld.

Het duurde echter lang voordat er gedrukte kaarten voor de reis tussen de Republiek en Azië ter beschikking kwamen. Leverancier was de firma Van Keulen. Tot aan de opheffing van de VOC, in , is het niet meer tot een herziene editie van dat deel 6 gekomen.

Dit was symptomatisch voor de stand van zaken van de kartografie in de Republiek. Was deze in de 17e eeuw nog toonaangevend geweest in de wereld, in de loop van de 18e eeuw begon zij achter te lopen bij die van het buitenland.

Voor een zo exact mogelijke positiebepaling op zee was het noodzakelijk dat men aan boord van schepen breedte- en lengtebepalingen kon doen. De methode van de astronomische breedtebepaling was reeds in de 15e eeuw in Portugal uitgevonden. De schippers en stuurlieden van de VOC waren deze kunst ook machtig. Het zogenaamde schieten van de zon of de poolster gebeurde met behulp van een quadrant, graadboog of zeeastrolabium. Op deze hoekmeetinstrumenten viel dan precies af te lezen op hoeveel graden noorder- of zuiderbreedte men zich bevond.

Het bepalen van het aantal graden ooster- dan wel westerlengte was een groter probleem, omdat de technische hulpmiddelen daartoe lange tijd ontbraken. De lengte kon in principe worden afgeleid van de berekening van de maansafstand, dat wil zeggen de afstand tussen de maan enerzijds en de zon of een andere heldere ster anderzijds. Ook hier was de oplossing dus astronomisch van aard.

De maansafstand kon echter pas exact worden afgelezen toen men over een sextant beschikte. De sextant was een Engelse vinding van het midden van de 18e eeuw; op de schepen van de VOC werd deze pas omstreeks gemeengoed.

Om als stuurman bij de VOC te worden aangesteld diende men aan zekere kwalificaties te voldoen. Op dit punt bestond er lange tijd geen eenduidig beleid. Zo had de Kamer Amsterdam al in een examinator voor stuurlieden in dienst. De andere kamers volgden dit voorbeeld echter veel later; de Kamer Rotterdam pas in In de loop der tijd werden de eisen voor het examen van stuurman wel steeds verder aangescherpt.

In werd tenslotte ook een examen ingesteld voor de hoogste rang onder het zeevarend personeel, namelijk die van schipper. Om voor een examen bij de VOC te slagen moest men behalve over praktijkervaring in de zeevaart ook beschikken over voldoende kennis van de navigatieleer.

De VOC stelde haar scheepsofficieren bij de uitreis altijd kaarten en instrumenten voor de navigatie ter beschikking, die bij thuiskomst weer moesten worden ingeleverd. Ook werden er in de loop der tijd steeds meer regels gesteld voor het bijhouden van scheepsjournalen. Zo kon worden gecontroleerd of de schippers en stuurlieden zich conform de regels van hun taak gekweten hadden. Voor verwijten dat VOC-personeel met betrekking tot navigatiekennis achterliep bij het buitenland en nieuwe ontwikkelingen op dit gebied te langzaam overnam zijn weinig bewijzen te vinden.

Feit blijft dat de meeste schepen van de VOC hun bestemmingen bereikten en dat het percentage scheepsrampen relatief laag was. Jan Pieterszoon Coen werd geboren in Hoorn op 8 januari Van tot was hij in de leer bij Joost de Visscher, een koopman in Rome. In vertrok hij voor het eerst naar Indië als onderkoopman van een schip. Hij maakte daar snel carrière en bereikte al in de positie van boekhouder-generaal.

Tezelfdertijd werd Coen benoemd tot directeur van Bantam en Jakatra, het latere Batavia. Bantam was de centrale handelsplaats op Java en het directeurschap van dat kantoor was daarom belangrijk in de organisatie van de VOC. Tussen Bantam en de VOC waren de relaties echter gespannen, omdat het hof niet gaarne zag dat de Compagnie te dominant werd in de regio.

In werd Coen directeur-generaal, de hoogste functie na de gouverneur-generaal. In , reeds voordat Coen gouverneur-generaal werd, had hij plannen op papier gezet ten aanzien van het te voeren beleid. Ten eerste wilde hij dat er krachtig opgetreden zou worden tegen Europese concurrenten en inheemse vorsten.

Coen ergerde zich met name aan de Engelsen, die de Nederlanders overal waar zij zich vestigden op de voet volgden en zo op een goedkope manier profiteerden van de Nederlandse inspanningen. Terwijl zijn voorganger als gouverneur-generaal, Laurens Reaal, terughoudend was bij de realisering van het door de Heren XVII gewenste monopolie in de specerijenhandel, wilde Coen hier juist haast mee maken.

In tegenstelling tot Reaal hield Coen weinig rekening met de belangen van de inheemse bevolking; hij was bereid het monopolie met geweld af te dwingen. Ten tweede wilde Coen, dat Nederlanders zich als 'vrijburger' zouden vestigen in bepaalde delen van het gebied van de Compagnie om daar een bestaan op te bouwen in de handel, nijverheid of landbouw. In geval van nood zouden de vrijburgers tevens een bijdrage aan de defensie kunnen leveren. Ten derde wenste Coen de VOC aan de intra-Aziatische handel te laten deelnemen om met de winst daarvan de aankoop van producten voor Europa te financieren.

Met name voor de overzeese handel van de Chinezen had hij grote interesse. Om al deze doelen te bereiken wilde Coen dat de Heren XVII veel meer geld en schepen zouden sturen dan tot dan toe het geval was. Als gouverneur-generaal richtte Coen zich in eerste instantie op het realiseren van de wens een centraal hoofdkwartier te hebben. Hier zouden alle schepen van de VOC in Azië moeten samenkomen. Ook zou er de zetel zijn van de Hoge Regering, het hoogste bestuurscollege overzee.

Bantam was, gezien de houding van het hof, daarvoor niet geschikt. Coen liet daarom steeds meer goederen van de Compagnie overbrengen naar de pakhuizen in Jakatra, waar de VOC sinds een vestiging had.

In kregen de Engelsen er ook een handelspost, recht tegenover de Nederlandse vestiging. Coen liet de Nederlandse post daarop, zonder toestemming van de vorst, ombouwen tot fort. Op het bericht dat de Engelsen een Nederlands schip hadden genomen liet hij de Engelse post zelfs platbranden. In de daarop volgende oorlog kon het kleine Nederlandse garnizoen zich, tegen de verwachting in, handhaven door onenigheid onder de tegenpartij van Jakatranen, Engelsen en Bantammers.

Nadat Coen hulp had gehaald, werd op 30 mei de stad Jakatra afgebrand en de bevolking verdreven. Op de puinhopen werd de hoofdstad van het VOC-imperium gesticht: Het tweede punt op Coen's agenda als gouverneur-generaal was het realiseren van het monopolie in de handel in nootmuskaat en foelie. Die specerijen werden uitsluitend op de Banda eilanden geproduceerd.

Al in een zeer vroeg stadium had de VOC geprobeerd om verdragen met de bevolking te sluiten tot exclusieve leverantie. De Bandanezen werkten echter niet mee. De Nederlanders hadden daarop enige van de Banda eilanden veroverd, maar het grootste eiland, Lontor, hield voet bij stuk.

Coen koos voor een harde aanpak en verscheen in met een grote expeditiemacht voor Lontor. Het eiland werd stormenderhand genomen, waarbij veel Bandanezen werden gedood.

Duizenden anderen kwamen van de honger om, sloegen op de vlucht of gaven zich over aan de VOC. De gevangenen werden later naar Batavia gedeporteerd. Vierenveertig gevangen Bandanese hoofden werden op een onduidelijke aanklacht van bij een complot betrokken te zijn alsnog terechtgesteld. De specerij-aanplant op de ontvolkte eilanden werd in de jaren daarna in 'perken' verdeeld. Deze werden uitgegeven aan 'perkeniers', een soort van vrijburgers. Coen richtte zich ook op China. Door Portugees Macao en Spaans Manilla aan te vallen hoopte hij te bereiken dat jonken uit China de steven naar Batavia zouden wenden.

Na enige vergeefse blokkades van Manilla, zond Coen in een sterke vloot naar China met de opdracht om Macao te nemen alsmede een fort te bouwen op de voor het vasteland gelegen Pescadores dan wel op het grotere eiland Taiwan. De bedoeling van dat fort was de Chinese jonkenhandel te controleren en die zo naar Batavia te leiden. De aanval op Macao werd een fiasco; het fort op de Pescadores kwam er wel. Op de Nederlandse eisen aangaande de jonkenhandel gingen de Chinese autoriteiten uiteraard niet in.

De VOC begon derhalve de jonken aan te vallen, terwijl ook nederzettingen op de kust niet werden gespaard. Daarbij werden veel gevangenen gemaakt, die voor Batavia bestemd waren. De bevelhebber van de vloot had echter al gauw door dat de Chinezen nergens toe gedwongen konden worden. De strategie van geweld die Coen op Java en Banda had gevolgd werkte niet bij het Chinese keizerrijk. Het grootste deel van de voor Batavia bestemde gevangenen was inmiddels overleden.

In keerde Coen, op eigen verzoek, terug naar de Republiek. Hij werd daar met veel eerbewijzen ontvangen en werd bewindhebber van de VOC in de kamer Hoorn. Hij stelde ook een reglement op voor de handel van Nederlandse vrijburgers in Azië, dat grotendeels overeenkwam met zijn ideeën uit In trouwde Coen met Eva Ment. Al spoedig werd hij opnieuw benoemd tot gouverneur-generaal. In vertrok hij wederom naar Indië. Coens tweede ambtstermijn stond vooral in het teken van de twee belegeringen van Batavia, in en , door de vorst van Mataram.

Die vorst had zijn gebied in de jaren daarvoor in snel tempo uitgebreid en bij de onderwerping van Java restte hem eigenlijk alleen nog Bantam, in het westen van het eiland. Hij eistte van de Nederlanders dat zij hem hierbij zouden helpen of in elk geval zijn troepen zouden laten passeren op weg naar Bantam.

Coen weigerde, wat voor de vorst reden was om eerst Batavia aan te vallen. Beide belegeringen werden goed doorstaan, mede omdat het vijandelijke leger slecht bewapend was en veel te weinig voedsel bij zich had. Tijdens het tweede beleg overleed Coen echter plotseling, op 21 september Tijdens zijn leven was Coen bij velen niet geliefd om zijn felle kritiek op een ieder, die het niet met hem eens was. In algemene zin hebben zij het door hem gevoerde beleid echter niet afgekeurd.

Coen was streng voor zijn minderen en meedogenloos voor zijn tegenstanders. Hoewel hij in een weinig zachtzinnige periode van de geschiedenis leefde, was het geweld dat hij bereid was te gebruiken om zijn doelstellingen te bereiken zelfs menig tijdgenoot te gortig. Voor Coen was succes in de handel eigenlijk alleen mogelijk onder de paraplu van een politiek en militair krachtige positie.

Coen heeft door de eeuwen heen bewondering geoogst als de grondlegger van het Nederlandse koloniaal imperium in de Oost. Sinds het begin van de 20e eeuw is zijn naam echter vooral synoniem met gewelddadig optreden. Onderzoek naar flora en fauna ten tijde van de Verenigde Oost-Indische Compagnie VOC De bestudering van flora en fauna kreeg in Europa in de 16e eeuw een enorme impuls als gevolg van de ontdekkingsreizen en het veranderde intellectuele klimaat in de Renaissance.

Schilders maakten schilderijen met daarop exotische planten, reizigers ontdekten nieuwe soorten planten en bomen overzee en overal in Europa schoten botanische tuinen uit de grond. In de 17e en 18e eeuw speelde de Republiek een belangrijke rol in de botanische studie. Zowel in de Republiek zelf als aan boord van schepen naar Azië deden allerlei mensen, vaak amateurs, waarnemingen en maakten daar aantekeningen van.

Bovendien had de hortus van de Leidse universiteit, in gesticht door Carolus Clusius , grote internationale faam verworven vanwege zijn grote Aziatische collectie en zijn uitgebreid netwerk aan wetenschappelijke contacten. De eerste Nederlander die zijn observaties op het gebied van flora en fauna in Azië te boek stelde was Jan Huygen van Linschoten in zijn Itinerario In de Republiek verwerkte Clusius de informatie van Van Linschoten en die van de eerste scheepstochten naar Azië systematisch in zijn Exoticorum Libri Decem Daarna duurde het tot voordat de medicus Jacob Bontius naar Batavia reisde en daar naast zijn taken ten dienste van de VOC in de omgeving van de stad de natuur bestudeerde.

Bontius had vooral interesse voor medische zaken; zijn observaties op het terrein van flora en fauna werden postuum gepubliceerd in Na Bontius zouden nog verscheidene andere compagniesdienaren zich bij wijze van liefhebberij aan de studie van flora en fauna wijden.

Meestal plubiceerden zij werk van vrij algemene aard. Van grote wetenschappelijke waarde zijn de werken van twee botanisten, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw actief waren: Van Reede en Rumphius. Hendrik Adriaan van Reede was afkomstig van een belangrijke adellijke familie uit Utrecht. Hij doorliep allerlei rangen en in werd hij in Malabar commandeur, de hoogste functionaris in dat gewest.

Daar raakte hij diep onder de indruk van de tropische flora en kreeg hij waardering voor de wetenschappelijke kennis van de Brahmanen. Toen vanuit de medicinale winkel in Batavia het verzoek kwam om onderzoek te doen ten behoeve van de verbetering van de medicamenten-voorziening, was dit voor Van Reede aanleiding om zich zelf aan de studie van de flora van Malabar te zetten.

Een grote impuls voor zijn onderzoek vormde verder het bezoek van de Italiaanse arts, missionaris en botanist Mattheus van St. Die had op zijn reizen door het Midden Oosten, Perzië en India veel beschrijvingen en tekeningen gemaakt van geneeskrachtige planten.

Dames van plezier Stoute chyna Sexy Vivian 21 geil sletje zuigt jouw pik lekker leeg Escort door heel Nederland. Dames van plezier Thuisontvangst Stoute chyna June, studentje van 26 ontvangt Geile date met Naomi ,- omg I'm an angel Date aan huis Lekker meid.

Dames van plezier Escort Escort door heel Nederland. Jasmin geile negerin Nieuw! Candy Lief, ondeugend en uitdagend! Ze wilt lekker in de openlucht genomen worden 13e Mega gangbang - woensdag 4 juli Zaterdag 9 juni hollandse swingers party Suck and fuck party met Isaura en Joke Ma 11 juni; Hollandse Fotomodel B.

Werken in de beste zaak van NL? Duizendpoot gezocht voor ons mooie privehuis Dutch Escort Eindhoven zoekt dames en chauffeurs! Met spoed ervaren operators gezocht. Onstpannen massage Ontspannen massage aangeboden Zachte braziliaanse tantra Massage met happy ending Tantra massage nancy nieuw Escort. Ervaren meester leert je alles. Meester zoekt een geile onderdanige dame. Onervaren jonge dame jaar gezocht.

Welke dame gebruikt 27jarige gozer als toilet? Ik wil je zien en horen spuiten! Onervaren meisje gezocht voor betaalde pijpdates Ben jij die slanke vrouwelijke bi meid? Dames van plezier Pijpen zonder condoom Lekker dik billen Ben je lekker geil? Blus je me vuurtje..?